12-01-12

Het Roeselaarse reuzenlied

Rolarius kl.JPG

 Ter gelegenheid van de wijkkermis op het Sint-Alfonsuskwartier werd op 28 juni 1891 Reus Rolarius, de "stichter" der stad, geboren. Midden het uitbundig volksgejubel danste hij er, met zijn vrouw Carlotta Vulgo en zijn zoon Opsinjoorke, voor de eerste maal rond op de maat van de muziek en op de tonen van het lied dat door Sylveer Carlier werd gedicht.

Karlotta Vulgo kl.JPG

 Daar kwam ne reus van Rousselaar,
't Eeuwenlang geleên,
Hij joeg met enen mispelaar
De dwergen hier uiteen.
De Kaboutermannekens vluchtten snel
Maar wreken zich toch evenwel ;
De Reus Rolarius ha - ha
't Is wel zei Pierlala.

De reuze trouwde Karlotta
Zij hielden bruiloftfeest,
En de dwergen loechen, ha,
En dansten om ter meest.
Zij dansten op nen glazen trog
En 's anderdaags zij dansten nog
Met Reus Rolarius ha - ha
't Is wel zei Pierlala.

Een zoontje sproot al uit den echt
't Was Opsinjoorken schoon,
En naar hetgeen d'historie zegt
Hij spande alhier de kroon.
Men danste weer op enen glanzenen trog
En 's anderdaags men danste nog
Met Reus Rolarius ha - ha
't Is wel zei Pierlala.

De reuze at al de kinderen op
Per week een stuk of tien,
In enen slok hij zwolg den kop
't Was waarlijk wreed om zien.
Kaboutermannekens peisden wel :
Eens stroppen wij den reus zijn vel
Den Reus Rolarius ha - ha
't Is wel zei Pierlala.

De dwergen zijn niet dom van geest
En gaven zekeren keer
Op 't Mandelplein een kermisfeest
Den groten reus ten eer.
De reus ledigde glas op glas
Tot dat hij peerdedronken was
De Reus Rolarius ha - ha
't Is wel zei Pierlala.

Hij viel in slape langs de beek
Op klokslag middernacht,
En daar de maan niet uit en keek
Zo was het goede jacht.
Kaboutermannekens één voor één
Zij kropen rond de beek bijeen
Bij Reus Rolarius ha - ha
't Is wel zei Pierlala.

Zij mieken ras een net van draân
Zijn reuzenlijk rondom
En lieten dan het water gaan
Tot dat hij er in zwom.
En daar hij dronken en vaste lag
En door het water niet en zag
Verdronk Rolarius ha - ha
't Is wel zei Pierlala

Als hij daar nu verdronken lag
De droefheid was niet groot
Een ieder die hem bezag ;
Rolarius is dood.
De klokken luidden van bin, bon, bon
Die dood is keert niet wederom
Rolarius bleef dood ha - ha
't Is wel zei Pierlala.

De dwergen waren blij van geest
En gaven reeds van toen
Op 't Patersplein een kermisfeest
Gelijk wij ook nu doen.
De klokskens luiden van bin, bon, bon
Helaas waar blijft nu 't karillon
Van Reus Rolarius ha - ha
't Is wel zei Pierlala.

Bron: foto + tekst Stedelijk Archief Roeselare

14:33 Gepost door Linda in Volkscultuur

De commentaren zijn gesloten.